Tijdelijke Werkloosheid wegens de coronapandemie en haar economische naschokken in 2021

Dynam Corona Flash 13 | juni 2022

Hoewel we met Dynam reeds een mooi overzicht kunnen geven van de dynamieken op de Belgische en regionale arbeidsmarkten, ook een jaar na het uitbreken van de crisis, ontbrak tot voor kort één belangrijk element. Het betreft de evolutie van tijdelijke werkloosheid in 2021. We weten dat de aanwervingen deels zijn hernomen, echter nog niet op het precrisisniveau, en dat de uitstroom sterk is verminderd (Goesaert et al., 2022). De evolutie van tijdelijke werkloosheid plaatst deze Dynam-bevindingen in een ruimer perspectief. Als een groot deel van de bevolking in het stelsel van tijdelijke werkloosheid blijkt te zitten, heeft dat immers een effect op de dynamieken van zittende werknemers, waartoe ook de tijdelijk werklozen behoren.

In deze Dynam Corona Flash nr. 13 zetten we het systeem van tijdelijke werkloosheid zoals toegepast door werkgevers gedurende het volledige jaar 2021 centraal. We gaan na waar de crisis op de langere termijn een blijvende impact heeft nagelaten, en waar tijdelijke werkloosheid dus blijvend nodig is geweest. We bekijken niet enkel de verschillende arbeidsmarktsectoren, maar staan ook stil bij enkele werknemerskenmerken.

Tijdelijke werkloosheid blijft ook in 2021 dubbel zo hoog als pre-corona

In figuur 1 bekijken we als startpunt de globale evolutie van tijdelijke werkloosheid op de Belgische arbeidsmarkt, per maand in 2021. We geven zowel de evolutie van het aantal jobs (linkerschaal) als het aantal dagen (rechterschaal) tijdelijke werkloosheid. Deze twee indicatoren samen zeggen meer dan de evolutie van elk van beide afzonderlijk.

Figuur 1 Flash13

Figuur 1 toont dat het aantal jobs en aantal dagen tijdelijke werkloosheid richting het tweede jaar crisis 2021 sterk gedaald is in vergelijking met het hoogtepunt in april 2020. Deze dalende evolutie verloopt voor de beide indicatoren gelijkmatig. In april 2020 stond 28% van de loontrekkende werknemers minstens 1 dag op tijdelijke werkloosheid. Dit is in het eerste kwartaal van 2021 gedaald tot zo’n 9%, en daalt verder de maanden nadien. Zeker vanaf mei 2021 zien we een sterke knip, en daalt het aantal jobs en dagen tijdelijke werkloosheid met respectievelijk 28% en 38%. We zijn vanaf mei 2021, na de paaspauze, dan ook in een rustiger periode aanbeland.

Eind 2021 stijgen de aantallen weer, het aantal jobs zelfs meer dan het aantal dagen tijdelijke werkloosheid. We kenden opnieuw een gedeeltelijke inperking van onze vrijheden: restaurants en cafés kregen een sluitingsuur en het aantal plaatsen aan tafel werd beperkt, private bijeenkomsten (zoals huwelijksfeesten) werden verboden, discotheken en dancings werden gesloten en telewerk werd weer maximaal ingevoerd (met maximaal 1 terugkeerdag per week). We vermoeden dan ook dat deze stijging voornamelijk zichtbaar is binnen enkele sectoren. De verklaring voor de sterkere stijging van het aantal jobs tijdelijke werkloosheid vinden we in de hogere incidentie van besmettingen. Dat zorgt voor een hoger aantal mensen in quarantaine, telkens voor maar enkele dagen.

We merken tegelijk op dat de take-up van tijdelijke werkloosheid in 2021 en 2022 nog steeds meer dan dubbel zo hoog ligt als in 2019, tijdens de pre-corona periode (zie figuur 2). In 2019 stonden maandelijks gemiddeld 99 000 werknemers minstens 1 dag op tijdelijke werkloosheid. Tijdens het piekjaar 2020 was dat gemiddeld 514 000. In 2021 is dat aantal gezakt tot gemiddeld 308 000 werknemers, en in de eerste vier maanden van 2022 verder tot 259 000. Indien het cijfer aan dit tempo blijft dalen, kunnen we uitkomen op het jaargemiddelde van 2019. Maar de kans is groter dat het cijfer niet voldoende daalt indien de huidige soepele regels van kracht blijven. Het is verder interessant om de piek die de coronacrisis heeft veroorzaakt te vergelijken met die tijdens de financiële crisis van 2008-2009. De piek was veel minder uitgesproken in 2008-2009, wat ook samenhangt met het feit dat het stelsel aan meer voorwaarden verbonden was. Vanaf 2010 blijken de cijfers zo goed als genormaliseerd, met nog een lichte stijging rond 2013. 

Figuur 2 Flash13

Tijdelijke werkloosheid blijft eind 2021 hoog in de horeca, maar ook in de bouw en industrie

De stijging van tijdelijke werkloosheid vanaf eind 2021 is zoals verwacht weinig homogeen verdeeld over de Belgische arbeidsmarkt. Tabel 1 geeft de evolutie van het aandeel tijdelijk werklozen (ten opzichte van de totale loontrekkende populatie) in elk van de 15 hoofdsectoren. Bovenaan staat het eerste crisisjaar 2020, eronder de tabel voor het jaar 2021. We hanteren vier kleuren, in oplopende volgorde: gunstig (groen), eerder gunstig (blauw), eerder ongunstig (geel) en ongunstig (rood). Zo maken de sectoren in het groen gebruik van tijdelijke werkloosheid voor gemiddeld minder dan 5% van het aanwezige loontrekkende personeel. De sectoren in het rood maken er veel gebruik van, voor meer dan één op vijf van alle loontrekkenden in de sector.

Tabel 1 Flash 13

Tabel 1 toont dat de zwaar getroffen horeca en overige diensten (met onder meer de evenementensector) gedurende langere tijd rode cijfers laten zien. Het aandeel personeel op tijdelijke werkloosheid blijft tot een stuk in 2021 erg hoog. Ook in de industrie, bouw, retail en administratieve en ondersteunende diensten wordt tijdelijke werkloosheid begin 2021 nog relatief vaak ingezet.

Tegelijk is de globale stijging van tijdelijke werkloosheid eind 2021 in slechts enkele sectoren gesitueerd. Er zijn 3 hoofdsectoren waar eind 2021 opnieuw (meer dan) 10% van het personeel in tijdelijke werkloosheid zit. Het betreft ten eerste de klassiek zwaar getroffen sector tijdens deze crisis, de horeca. Ook het aantal dagen tijdelijke werkloosheid blijft er relatief hoog. Ten tweede zien we ook een hoger gebruik van het stelsel in de administratieve en ondersteunende diensten. Deze stijging wordt veroorzaakt door de hogere inzet op tijdelijke werkloosheid in de reisbureaus (25%) en de beveiliging en reiniging (19%, vermoedelijk vooral in de dienstenchequesector). Tot slot valt ook de bouw sterk op. Eind 2021 zit hier opnieuw 11% van het personeel thuis van het werk op tijdelijke werkloosheid, voor gemiddeld 5,5 dagen per maand. Mogelijk spelen hier ook andere elementen dan de crisis. Tijdens de winterperiode wordt wel vaker gebruikt gemaakt van tijdelijke werkloosheid in de bouw, en tot eind juni 2022 wordt zo goed als alle tijdelijke werkloosheid als tijdelijke werkloosheid wegens corona-overmacht beschouwd. Tegelijk wordt deze sector extra getroffen door een groot tekort aan grondstoffen en transport. Dat geldt bovendien ook voor de industrie, die in december op plaats 4 prijkt wat betreft het aandeel tijdelijk werklozen ten opzichte van de totale populatie. De industrie komt qua aandeel tijdelijke werkloosheid op het einde van 2021 zo zelfs boven het niveau van de overige diensten, met onder meer de evenementen en cultuursector, die in het begin van het jaar nog rode cijfers lieten zien.

Tabel 2 Flash 13

Meest opvallend in tabel 2 is dat het stelsel van tijdelijke werkloosheid eind 2021 in de overige sectoren (RSTU) beduidend minder wordt toegepast. Zo vallen de belangrijkere sectoren van de kunst en amusement en sport en recreatie uit de top 10, zelfs tot onderaan de top 20. Ook de andere typische zwaar getroffen sectoren (zoals de horeca, de luchtvaart) zakken tijdens deze crisis veelal terug. De reisbureaus prijken nog steeds op nummer twee, en ook het aantal dagen tijdelijke werkloosheid blijft hier hoog. De inzet op het stelsel blijkt hier nog steeds nodig.

In de top tien, en vaak zelfs voor de horeca, zien we daarentegen de eerder klassieke crisissectoren in de industrie sterk naar voor komen. Denk aan sectoren als de vervaardiging van andere transportmiddelen (nace 30), de autoassemblage (nace 29), de textiel, kleding en leerindustrie (nace 13-15). Het aandeel tijdelijke werkloosheid blijft hier hoog, al ligt het aantal dagen wel aanmerkelijk lager. Het personeel komt er vaak in beurtrol enkele dagen per week/maand werken. Mogelijk zorgen hier de extra problemen qua grondstoffen en transport voor een bijkomend effect.

Tijdelijke werkloosheid concentreert zich bij arbeiders

Welke werknemersprofielen zitten eind 2021 nog steeds op het stelsel van tijdelijke werkloosheid? Hiervoor zetten we de inzet op tijdelijke werkloosheid uit naar enkele persoonskenmerken, in figuur 3. We vergelijken de verhouding van het aantal jobs in tijdelijke werkloosheid per werknemerskenmerk in december 2021, de meest recente periode, en april 2020, het hoogtepunt van de crisis. 

Figuur 3 Flash13

Globaal treedt er weinig verschil op tussen het aandeel mannen en vrouwen op tijdelijke werkloosheid en de verschillende leeftijdsklassen. We zien vanaf december 2021 relatief gezien meer inzet op het stelsel bij de middengroep van 35 tot 49-jarigen, en iets minder bij jongeren. Dit is sterk gerelateerd aan de sectorale evolutie. We zagen eerder immers dat de inzet op tijdelijke werkloosheid in de typische coronasectoren (zoals de horeca), waar veelal jongeren aan de slag zijn, deels is teruggevallen in 2021.

Waar we wel grote verschillen zien, is in de opdeling naar statuut. In april 2020 betrof 56% van alle tijdelijke werkloosheid een arbeidersjob. Dat is in 2021 verder toegenomen tot liefst 76%. Al dalen deze aantallen absoluut, tijdelijke werkloosheid blijkt zich wel degelijk meer en meer te concentreren bij arbeidersprofielen. Deze evolutie is ook gelinkt aan de sectorale evolutie. Vooral de stijging van tijdelijke werkloosheid in de industrie en bouw heeft hier een effect.

Het gemiddeld aantal dagen blijft het hoogst in het Brussels Gewest

Begin 2020 bleek het aandeel personen op tijdelijke werkloosheid hoger te liggen in het Vlaams Gewest. Dat terwijl het aantal dagen piekte in Brussel. In Corona Flash 10 relateerden we dit aan het groter belang van de typische coronasectoren in het Brussels Gewest, waarin werknemers veelal voor een groot aantal dagen per maand op tijdelijke werkloosheid staan. Figuur 4 toont de verdere evolutie van beide indicatoren tot eind 2021 (naar woonplaats, de meest recente gegevens naar werkplaats zijn nog niet beschikbaar).

Figuur4 Flash13

Hoewel het aandeel tijdelijke werkloosheid ten opzichte van de totale tewerkstelling (linkerfiguur) over de maanden sterk geconvergeerd is tussen de gewesten, blijkt dat voor de indicator van het aantal dagen (rechterfiguur) niet het geval. In het Brussels Gewest ligt het gemiddeld aantal dagen tijdelijke werkloosheid per persoon nog altijd hoger dan in de andere gewesten. In het Vlaams Gewest worden gedurende het hele verloop van de crisis de laagste aantallen opgemeten.

De hogere cijfers voor het Brussels Gewest (qua aantal dagen tijdelijke werkloosheid) zijn zichtbaar over een groot spectrum van sectoren, zoals in de retail, de horeca, de beveiliging en reiniging en de reisbureaus. Mogelijk ligt dit aan het feit dat Brusselaars meer dan gemiddeld als bediende aan de slag gaan. Bedienden rapporteren immers een hoger aantal dagen tijdelijke werkloosheid dan arbeiders (al zijn er beduidend minder die er gebruik van maken, wat de cijfers weer naar beneden kan bijstellen). Maar dat is niet de enige reden, omdat we ook binnen sectoren verschillen zien. In Brussel kan zo de grootstedelijke context een extra impact hebben op de mate waarin sectoren, en dus ook werknemers, worden getroffen. Denk aan de horeca, die hier extra wordt getroffen door het terugvallende internationaal toerisme en zeker ook de verminderde pendel naar de hoofdstad. Immers, de subregio’s die vooral rekenen op binnenlands toerisme (de zee, de Ardennen) hebben het in 2021 zeker niet slecht gedaan. Dat terwijl het internationaal en zakentoerisme nog quasi volledig stil lag, en vooral Brussel in het hart trof.

[1] Als we enkel de voltijdse en deeltijdse werknemers in de horeca (83% van alle loontrekkenden in december 2021) in rekening nemen, dan loopt dit aandeel op tot 22%. 

Methodologische noot

Voor de volledigheid voegen we hieronder de basistabel toe, met de kerncijfers over tijdelijke werkloosheid, voor de jaren 2020 en 2021. Daaronder geven we meer info bij de gebruikte databestanden.

Tabel B1 Flash13
Tabel B2 Flash13

Over tijdelijke werkloosheid zijn er verschillende cijfers in omloop. De door ons gebruikte data zijn afkomstig van de gekoppelde dataset van RVA, RSZ en KSZ van de populatie werknemers in het stelsel van tijdelijke werkloosheid. De data worden gerapporteerd in refertemaanden: de maand waarin de periode van tijdelijke werkloosheid viel die recht geeft op de betaling, in verschillende personen. Andere tellingen zijn gebaseerd op indieningsmaanden (betalingen), waarbij voor eenzelfde persoon meerdere betalingen kunnen worden geteld omdat binnen eenzelfde indieningsmaand betalingen voor verschillende refertemaanden worden verricht. De refertemaand benadert dus beter de reële situatie. De cijfers over de populatie loontrekkenden (in de noemer van het aandeel tijdelijk werklozen) hebben betrekking op het eerste kwartaal 2021 voor de refertemaanden januari tot maart 2021. Voor april tot juni 2021 is dit het tweede kwartaal 2021, voor juli tot september het derde kwartaal 2021, en voor de laatste drie maanden van 2021 het vierde kwartaal 2021.

Contact

  • Professor Ludo Struyven, Tine Vandekerkhove, dr. Tim Goesaert, Onderzoeksgroep Onderwijs en Arbeidsmarkt (HIVA - KU Leuven)
  • e-mail: ludo.struyven@kuleuven.be 
  • tel: 016 32 33 41, gsm: 0485 16 08 86

Meer nieuwe cijfers, trends en duiding op www.dynamstat.be

Met dank aan RSZ, RVA, KSZ, BISA, Departement WSE en IWEPS.